Denk- en werkkader Arrangementen en Toelaatbaarheidsverklaringen

Versie 11 mei 2017

Inleiding
Dit denk- en werkkader is een collectief vertrekpunt voor het denken en handelen van zowel de collega’s op de scholen als de collega’s van het bureau van het samenwerkingsverband. Het kader beschrijft op hoofdlijnen de gewenste manier van werken. Het handelingsgericht arrangeren dat centraal staat in dit denk- en werkkader sluit aan bij de uitgangspunten passend onderwijs die we in ons samenwerkingsverband belangrijk vinden: vertrouwen, verbinden en verantwoorden. We we
rken aan overzicht, inzicht en uitzicht voor kinderen met extra ondersteuningsbehoeften.

Dit denk- en werkkader is als volgt opgebouwd. Nadat onderstaand verantwoording is afgelegd over de totstandkoming van de nieuwe werkwijzen volgen vijf paragrafen:

  1. Handelingsgericht werken
    Hier worden de principes van handelingsgericht werken samengevat.
  2. Drie niveaus van ondersteuning
    In deze paragraaf worden de drie niveaus van ondersteuning toegelicht (1. basisondersteuning inclusief interventies, 2. extra ondersteuning - arrangementen en 3. extra ondersteuning - sbo/so). Ook wordt het Ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) besproken.
  3. Arrangementen
    In deze paragraaf wordt beschreven hoe overleg en besluitvorming over een arrangement verloopt.
  4. Toelaatbaarheidsverklaringen
    In deze paragraaf wordt beschreven hoe overleg en besluitvorming over een toelaatbaarheidsverklaring verloopt.
  5. MDO - Multi Disciplinair Overleg
    Deze paragraaf bevat veel informatie over opzet, doel en verloop van een MDO.

Totstandkoming nieuwe werkwijzen
In het voorbereidingsjaar (2016-2017) voorafgaand aan dit nieuwe ondersteuningsplan is gewerkt aan een ‘herontwerp arrangementen en TLV’. Als kaders voor dit herontwerp zijn de volgende uitgangspunten vastgesteld:

  • We gaan uit van handelingsgericht werken op alle scholen.
  • We gaan uit van handelingsgericht arrangeren in plaats van indiceren.
  • Het eigenaarschap voor de ondersteuning aan leerlingen/leerkrachten en ouders ligt bij de scholen.
  • School en ouders werken nauw samen.
  • Er vindt ondersteuning/facilitering aan de scholen plaats vanuit het bureau van het samenwerkingsverband.

In het schooljaar 2016-2017 is een aantal pilots uitgevoerd om samen met een twintigtal scholen te komen tot nieuwe afspraken en een andere werkwijze. Het herontwerp heeft geleid tot dit ‘denk- en werkkader Arrangementen en Toelaatbaarheidsverklaringen’. Dit denk- en werkkader biedt scholen houvast voor het bieden van passende ondersteuning aan leerlingen. Het kader wordt jaarlijks geëvalueerd en kan op basis van de ervaringen op de scholen en van medewerkers van het samenwerkingsverband worden bijgesteld.

1. Handelingsgericht werken
Handelingsgericht werken (HGW) maakt onderdeel uit van het onderwijs op alle scholen in ons samenwerkingsverband. Het is immers een onderdeel van de geformuleerde basisondersteuning in ons samenwerkingsverband. Handelingsgericht werken beoogt de kwaliteit van het onderwijs en de begeleiding voor alle leerlingen te verbeteren. Handelingsgericht werken is een planmatige en cyclische werkwijze voor onderwijsprofessionals om individuele onderwijsbehoeften van kinderen te ontdekken en hierin te kunnen voorzien. Door de planmatige aanpak geeft het structuur bij het omgaan met verschil in behoeften tussen leerlingen in de groep. De cyclus van HGW bevat zes stappen, verdeeld over vier fasen (zie hieronder in het linkerdeel van het plaatje, de cirkel van HGW).

Cyclus HGW
Handelingsgericht werken vindt op verschillende niveaus plaats: in de groep, op schoolniveau en op het niveau van het samenwerkingsverband. Op groeps- en schoolniveau spreken we over groepsbesprekingen en leerlingbesprekingen. En op het niveau van het samenwerkingsverband spreken we over arrangeren. De wijze waarop het handelingsgericht werken op schoolniveau en het niveau van het samenwerkingsverband samenhangen, is zichtbaar in bovenstaand schema [1] in het rechtergedeelte.

2. De drie niveaus van ondersteuning
In het samenwerkingsverband onderscheiden we drie niveaus van ondersteuning. Elke leerling krijgt de ondersteuning die voor haar of hem passend is. We evalueren regelmatig of een leerling nog de juiste ondersteuning krijgt. Als er meer of minder ondersteuning nodig is, dan passen we het ondersteuningsniveau aan.
Driehoek Ondersteuning

Ondersteuningsniveau 1: Basisondersteuning, inclusief interventies

De basisondersteuning is het overkoepelende begrip voor het onderwijs en de ondersteuning die aan leerlingen wordt gegeven vanuit de eigen school. De basisondersteuning, inclusief interventies voor ons samenwerkingsverband staat beschreven in bijlage 2.
Basisscholen in ons samenwerkingsverband hebben een eigen interne ondersteuningsstructuur. Die ondersteuningsstructuur is niet op alle scholen identiek, maar wel overal adequaat in opzet en werking.
Op hoofdlijnen kunnen we wel de volgende twee fasen onderscheiden binnen de basisondersteuning.

  1. Voor het merendeel van de leerlingen voldoet het basisaanbod binnen de basisondersteuning. De leerkracht voelt zich competent om tegemoet te komen aan de onderwijsbehoeften van de leerling. Alle leerlingen worden besproken tijdens de groepsbespreking(en). Voor leerlingen die op grond van observatie- en signaleringsgegevens opvallen, wordt eerst bekeken welke aanvullende interventies binnen het basisaanbod mogelijk zijn. Op didactisch gebied kan het gaan over onder andere extra instructie/extra leertijd/compacten /verrijken. Pedagogische maatregelen kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het ondersteunen van het zelfvertrouwen van de leerling/ gericht aanleren van de groepsregels/het specifieker ordenen van de leeromgeving van de leerling.
  2. Mocht gewenst resultaat uitblijven omdat de leerling onvoldoende profiteert van de intensivering van het basisaanbod en de genomen pedagogische preventieve maatregelen, dan wordt de leerling aangemeld voor een leerlingbespreking. Dit gebeurt in nauw overleg met de ouders. Bij een leerlingbespreking zijn over het algemeen de leerkracht, de intern begeleider en de ouders aanwezig. Voor deze groep leerlingen kan de school bekijken welke andere interventies ingezet kunnen worden, zoals preventieve of licht curatieve interventies. Dit kunnen interventies zijn vanuit de basisondersteuning van de school of preventieve interventies vanuit het schoolmaatschappelijk werk+.

Op basis van een analyse (waarnemen en begrijpen) wordt een plan opgesteld en geëvalueerd. Er volgt altijd een tweede leerlingbespreking, om vast te stellen of de aanpak succesvol is geweest. De school werkt systematisch en volgt de HGW-cyclus. De school werkt met eigen formulieren en documenten of met de voorbeelddocumenten vanuit ons samenwerkingsverband. De school kan ervoor kiezen het groei-werkdocument (deel A, B, C en D) te gebruiken als hulpmiddel voor een brede analyse.
Als uit de ondersteuningsbehoefte blijkt dat de basisondersteuning onvoldoende is, dan wordt opgeschaald naar ondersteuningsniveau 2, de extra ondersteuning.

Ondersteuningsniveau 2: extra ondersteuning - arrangementen
De overgang van basisondersteuning naar extra ondersteuning markeert de overgang van schoolniveau naar het niveau van het samenwerkingsverband. Op schoolniveau spreken we over handelingsgericht werken en op het niveau van het samenwerkingsverband spreken we over handelingsgericht arrangeren (HGA). We spreken over handelingsgericht arrangeren als de interventies die nodig zijn voor leerling/leerkracht en/of ouder boven het niveau van de basisondersteuning uitstijgen. Dit handelingsgericht arrangeren vindt plaats tijdens het multidisciplinair overleg (MDO).
Voor leerlingen die op dit niveau ondersteuning nodig hebben, wordt een MDO georganiseerd [2]. Een leerling wordt aangemeld voor een MDO als:

  • In de leerlingbespreking is geconstateerd dat de afgesproken interventies onvoldoende of geen resultaat hebben gehad.
  • De school bij aanmelding van een nieuwe leerling inschat dat de leerling ondersteuningsbehoeften heeft die buiten de basisondersteuning vallen.
  • De situatie van de leerling dusdanig ingrijpend is veranderd dat een leerling ondersteuningsbehoeften heeft die de school niet (meer) kan bieden.

Het MDO bestaat in ieder geval uit de collega’s die bij een leerlingbespreking aanwezig zijn (leerkracht, intern begeleider), ouders en de adviseur passend onderwijs. De school voert de regie en de adviseur passend onderwijs adviseert en ondersteunt. 
In ons samenwerkingsverband vinden we het belangrijk om integraal naar kinderen te kijken. Dat betekent dat we naast de schoolsituatie, ook aandacht hebben voor de thuissituatie van de leerling (opgroeien en opvoeden). Vandaar dat ook het schoolmaatschappelijk werk+ in principe altijd deelneemt aan een MDO. Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van leerling, leerkracht en/of ouder kunnen ook andere externe partners aansluiten, zoals CJG (gezinscoach), jeugdhulp, jeugdarts, ambulante begeleiders, psycholoog/orthopedagoog van een SBO/SO-school of een leerplichtambtenaar. De directie van de school bepaalt op welke momenten men in een MDO aansluit. Dit kan altijd zijn, maar ook op specifieke momenten, bijvoorbeeld bij de aanmelding van een leerling, waarbij in het overleg vastgesteld moet worden of de school een passende plek is voor de leerling. Of bij de beslissing of een leerling naar een andere school gaat (SBO/SO).
In het MDO wordt vastgesteld wat de onderwijsbehoeften zijn van de leerling en de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht en/of ouders. Op basis daarvan wordt, op voorstel van de school, een gezamenlijk besluit genomen over het passende arrangement.
Het MDO is gericht op overeenstemming vanuit gelijkwaardig partnerschap. Het gaat in het overleg om afstemming en wisselwerking tussen alle betrokkenen. Open communicatie is daarbij essentieel.
In paragraaf 3 van deze bijlage werken we de werkwijze met betrekking tot het voorstellen van en besluiten over een arrangement nader uit.

Op het moment dat in een MDO wordt vastgesteld dat de passende ondersteuning voor de leerling alleen geboden kan worden door het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs, wordt opgeschaald naar ondersteuningsniveau 3.

Ondersteuningsniveau 3: een lesplaats in het SBO of SO
De vaststelling of voor een leerling een plek op het speciaal (basis) onderwijs passend is, vindt ook plaats in een MDO. Bij dit MDO is naast de leerkracht, de intern begeleider, de ouder(s) en de adviseur passend onderwijs ook een vertegenwoordiger aanwezig vanuit het speciaal (basis)onderwijs. In veel gevallen zal ook de maatschappelijk werker deelnemen. In dit gezamenlijk overleg wordt vastgesteld of een Toelaatbaarheidsverklaring (TLV) voor het speciaal basisonderwijs of het speciaal onderwijs wordt voorgesteld en (in geval van SO) voor welke bekostigingscategorie (laag, midden of hoog). Het is ook aan het MDO om gezamenlijk te bepalen voor hoeveel jaar een TLV wordt aangevraagd. Voor het speciaal onderwijs is het wettelijke minimum een TLV van een jaar. In paragraaf 4 van deze bijlage wordt de werkwijze met betrekking tot toelaatbaarheidsverklaringen verder uitgewerkt.

Ontwikkelingsperspectiefplan
Voor leerlingen die extra ondersteuning (niveau 2 of 3) nodig hebben is het verplicht om een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) op te stellen. De wettelijke onderdelen van een OPP zijn:

  1. De verwachte uitstroombestemming van de leerling. Omdat dit een (soms nog vage) verwachting betreft kan dit periodiek worden bijgesteld.
  2. De onderbouwing van de verwachte uitstroombestemming. De onderbouwing bevat in elk geval een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.
  3. Een beschrijving van de te bieden ondersteuning en begeleiding en (indien aan de orde) de afwijkingen van het (reguliere) onderwijsprogramma (planningsdeel).
    De ouders hebben per 1 augustus 2017 instemmingsrecht op het planningsdeel (C.) van het OPP.

3. Arrangementen
Voor leerlingen die extra ondersteuning op ondersteuningsniveau 2 nodig hebben, maakt de school gebruik van een arrangement (dit is het middelste niveau van de eerder getoonde piramide). Het kan gaan om een onderwijsondersteuningsarrangement, een jeugdhulparrangement of een combinatie van beide: een onderwijsjeugdhulparrangement. Het eerstgenoemde arrangement wordt betaald vanuit onderwijsgelden (budget samenwerkingsverband). Het tweede vanuit zorg/jeugdhulpgelden of PGB-middelen. Het derde vanuit zowel onderwijsgelden als zorg/jeugdhulpgelden.
Het arrangement kan worden uitgevoerd op de eigen school, maar ook (tijdelijk) op een andere school in het samenwerkingsverband. Een arrangement kan door verschillende deskundigen worden uitgevoerd, zoals een collega van de eigen of een andere school (BAO of S(B)O), het HCO of een andere dienst, een zzp’ er, etc. Een zorgarrangement kan aangeboden worden door verschillende zorgpartners, zoals CJG, GGD of jeugdhulpinstellingen.

Richtlijnen Arrangementen
Voor het opstellen van arrangementen is een aantal vertrekpunten, richtlijnen geformuleerd:

  • Arrangementen hebben een looptijd variërend van een aantal weken tot in principe een jaar.
  • Criterium is dat de onderwijsbehoefte de basisondersteuning, inclusief interventies, overstijgt.
  • Nieuw is dat nu ook arrangementen mogelijk zijn voor een kortere periode dan een jaar. Het is de bedoeling dat er enerzijds korte, intensieve arrangementen komen voor leerlingen die tijdelijk behoefte hebben aan een extra impuls in hun (stagnerende) ontwikkeling. Anderzijds zullen er ook situaties blijven bestaan waarin leerlingen (enkele) jaren achtereen ondersteuning vanuit een arrangement ontvangen, bij jaarlijkse evaluatie wordt dan steeds het vervolgarrangement bepaald.
    Omdat het budget voor arrangementen niet oneindig is, is het belangrijk spaarzaam gebruik te maken van ‘deze pot’.
  • We hebben voor een jaar gekozen aangezien scholen de verantwoordelijkheid hebben om jaarlijks het OPP met de ouders te evalueren. Bij deze evaluatie in een MDO kan worden vastgesteld of er een aansluitend arrangement gewenst is en zo ja welk. Een uitgebreider of kleiner arrangement kan passend zijn.
  • In sommige situaties is het logisch om een arrangement voor te stellen voor langer dan een jaar. Bijvoorbeeld als in mei een arrangement ter sprake wordt gebracht voor een leerling uit groep 7. Dat voorstel geldt dan voor mei tot einde van dat schooljaar en het hele achtste schooljaar. In die situaties geldt een maximum van anderhalf jaar.
  • Arrangementen worden tussentijds door de scholen, in goed overleg met ouders, geëvalueerd. Scholen hebben hier eigen afspraken over binnen de cyclus van handelingsgericht werken. De evaluatie wordt vastgelegd: of in eigen documenten of in het groei-werkdocument.
  • Voor de bekostiging geldt dat de onderwijsbehoefte van de leerling en/of ondersteuningsbehoefte van de leerkracht en/of ouder leidend is. Daarbij is er een vuistregel om de arrangementen in financieel opzicht aan te spiegelen. De vuistregel baseert zich enerzijds op de bedragen die gemoeid zijn met TLV’s SBO en SO [3]. Bedragen in deze orde van grootte kunnen aan de orde zijn als het arrangement voorziet in een onderwijsbehoefte die min of meer vergelijkbaar is met plaatsing in het SBO of SO. Anderzijds zal bij veel andere arrangementen sprake zijn van een lichtere onderwijsbehoefte en zullen dus ook de kosten van het arrangement lager moeten liggen. Belangrijk is dat de deelnemers aan het MDO een uitlegbaar besluit nemen: de adviseur passend onderwijs kan aan collega’s en leidinggevende uitleggen waarom tot dit arrangement (met dit kostenplaatje) is besloten. De directeur en intern begeleider kunnen (bijvoorbeeld) aan de buurschool uitleggen waarom in dit geval dit beroep op (schaars) gemeenschapsgeld wordt gedaan.
  • Financiering van arrangementen komt soms ook vanuit andere bronnen. Dit geldt voor onderwijsjeugdhulparrangementen of jeugdhulparrangementen.  Of bijvoorbeeld PGB-gelden. Dit is aan de orde als er ook zorg-ondersteuning nodig is op school.

4. Toelaatbaarheidsverklaringen
4.1 Algemeen

Na kortere of langere tijd kan in het proces van HGA duidelijk worden dat een arrangement (ondersteuningsniveau 2) niet voldoende is. Soms is ook direct duidelijk dat een arrangement niet volstaat. Uit de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften wordt duidelijk dat het nodige aanbod alleen kan worden gerealiseerd binnen de setting van een S(B)O-school. Voor plaatsing op deze schoolsoorten is een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) van het samenwerkingsverband noodzakelijk (wettelijke verplichting). 
Onze denk- en werkwijze met betrekking tot toelaatbaarheidsverklaringen is in beginsel hetzelfde als beschreven in paragraaf 3 van deze bijlage ‘Arrangementen’. Dit betekent dat ook toeleiding naar een lesplaats in het SBO of SO gebeurt volgens de eerder beschreven fasen van HGW en HGA. Aanvullend is er de rol van twee (wettelijk verplichte) deskundigen.
Binnen ons samenwerkingsverband combineren we de beslissing over het toekennen van een TLV én het beantwoorden van de vraag op welke specifieke SBO- of SO-school de leerling onderwijs gaat volgen. Zo komen we ook hier tot maatwerk. De stappen die we met elkaar zetten, zijn hierop aangepast.

De Toelaatbaarheidsverklaring - algemene landelijke regels

Het toekennen van een TLV-SBO betekent dat een leerling toelaatbaar is op één van de SBO-scholen in het samenwerkingsverband. Over de feitelijke toelating beslist de SBO-school. Indien plaatsing op een SBO-school buiten het samenwerkingsverband gewenst is, moet ook dat andere samenwerkingsverband een TLV-SBO afgeven.
Het toekennen van een TLV-SO betekent dat een leerling toelaatbaar is op een SO-school, waar dan ook in Nederland. Over de feitelijke toelating beslist de SO-school.
De WEC schrijft voor dat de TLV voor het speciaal onderwijs minimaal een jaar bedraagt. In de WPO zijn geen bepalingen opgenomen voor de tijdsduur van een TLV voor het SBO (in ons samenwerkingsverband hebben we de afspraak dat ook een TLV voor het SBO minimaal een jaar bedraagt). Een plaatsing in het SBO en SO is in principe tijdelijk. Voor bepaalde groepen leerlingen is het speciaal onderwijs passend gedurende de gehele periode van groep 1 tot 8. De wet voor het speciaal onderwijs (Wet op de Expertisecentra) gaat uit van een actief terugplaatsingsbeleid. Na afloop van de TLV wordt de leerling teruggeplaatst, tenzij de school kan aantonen dat het speciaal onderwijs nog langer gewenst is.

Hieronder vertalen we deze landelijke regels verder naar onze situatie en werkwijzen.

De (basis)school voert de regie
Leerlingen met extra onderwijsbehoeften worden in een MDO besproken. Op het moment dat een arrangement niet (meer) tegemoetkomt aan de onderwijsbehoefte van de leerling, zal in een (volgend) MDO bekeken worden of plaatsing op een SBO- of SO-school wel passend is. Zodra de basisschool aan ziet komen dat er mogelijk sprake zal zijn van plaatsing op het SBO of SO legt deze school contact met één of meerdere S(B)O-scholen. Dit gebeurt zoveel als mogelijk met de school die de voorkeur heeft van ouders. Bij SBO is het uitgangspunt thuisnabij onderwijs. Dit wordt in gesprekken met ouders benadrukt. Valt de keuze op een school die verder weg gelegen is, dan worden ouders, indien van toepassing, geattendeerd op de strikte, gemeentelijke regelgeving rondom leerlingvervoer.
De school waar de leerling in de toekomst onderwijs gaat volgen, noemen we de doelschool. Voor het bieden van maatwerk bij de keuze voor een passende beschikbare speciale lesplaats is het van belang dat de (mogelijke) doelschool S(B)O zo vroeg mogelijk door deelname in MDO’s, betrokken wordt in het traject van handelingsgericht arrangeren. Zij worden hiervoor gefaciliteerd. In dit proces kan de doelschool op basis van de verzamelde informatie (bijvoorbeeld in het groei-werkdocument) en deelname aan de MDO’s over de leerling aangeven dat zij met hun specifieke aanbod kunnen voldoen aan de onderwijsbehoeften van de leerling, bereid zijn deze leerling te plaatsen en binnen de gewenste termijn ook een plaatsing op de doelschool kunnen realiseren.

Nadat alle stappen zijn gezet, kan in een (volgend) MDO het voorstel om een TLV aam te vragen worden vastgesteld. De TLV-aanvraag richt zich ook op de te verwachten opbrengst, de duur en (in het geval van een TLV-SO) beargumenteert de benodigde bekostigingscategorie laag, midden of hoog (zie onder).

Rol van ouders

Ook in de toeleiding richting S(B)O nemen ouders een belangrijke plaats in. Ouders maken dan ook deel uit van MDO’s waarin over hun zoon/dochter wordt gesproken. Binnen de scholen en het samenwerkingsverband streven we ernaar dat ouders goed worden meegenomen in de gesprekken over de ontwikkeling van hun zoon/dochter. OP 1 augustus 2017 wordt een wet van kracht die bepaald dat er met de ouders overeenstemming moet zijn over het planningsdeel (handelingsdeel) van het ontwikkelingsperspectief. Voorheen moest er op overeenstemming gericht overleg met de ouders plaatsvinden. Nieuw is dat ook de scholen voor speciaal onderwijs verplicht een planningsdeel (handelingsdeel) in het ontwikkelingsperspectief moeten opnemen voor leerlingen. Ook hier geldt dat dit pas kan worden vastgesteld nadat er overeenstemming met de ouders is bereikt.

4.2. Van basisschool naar speciaal (basis)onderwijs
Denk- en beslisproces

In het denk- en beslisproces over deze stap (bao > s(b)o) zijn, naast de ouders, betrokken:
a. medewerker(s) van de huidige school, medewerker(s) van de doelschool (SBO en/of SO), de adviseur passend onderwijs vanuit het samenwerkingsverband en veelal ook de SMW-er, e.d.
b. twee personen die de rol van (wettelijk verplichte) deskundige vervullen. Deze personen brengen formeel een advies uit aan het bestuur van het samenwerkingsverband (in praktische zin ook aan het MDO).

Wettelijke eisen deskundigenadvies
Artikel 34.8. Deskundigen samenwerkingsverband

De deskundigen, bedoeld in artikel 18a, elfde lid, van de wet zijn een [4] orthopedagoog of een psycholoog en afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.
Bron: Algemene Maatregel van bestuur passend onderwijs, 2014.


De gedachte is dat de inbreng van de onder a. genoemde personen in praktische zin leidend is. Zij vormen in elk geval het MDO en hebben waar nodig tussentijds informeel overleg. De adviseur passend onderwijs zal in ingewikkelde kwesties zo nodig ook collega’s raadplegen (bijvoorbeeld een andere adviseur of een orthopedagoog). De S(B)O scholen hebben, onder diverse namen, medewerkers die participeren in MDO’s op de basisscholen (veldwerkers, plusdienst-medewerkers e.d.), zij zijn lang niet altijd orthopedagoog of psycholoog, maar wel bij uitstek de juiste persoon in het proces. Deze deelnemer(s) vanuit S(B)O-scholen hebben mandaat [5] om in een MDO te kunnen meebeslissen of de doelschool op basis van het schoolprofiel kan voldoen aan de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte van de leerling en de leerling daadwerkelijk op de gewenste termijn geplaatst kan worden [6],[7]. Dit mandaat betreft niet automatisch ook het vervullen van de rol van de formele tweede deskundige. Op de rol van deze deskundige wordt ingegaan in de volgende alinea’s [8].

Formele betrokkenheid twee deskundigen

Het is belangrijk dat de school in vroeg stadium bedenkt wie de rol van tweede deskundige gaat vervullen en het bureau van het samenwerkingsverband benadert over het beschikbaar stellen van de eerste deskundige. De adviseur kan hierin meedenken. Het samenwerkingsverband publiceert [9] een lijst met personen die als tweede deskundige mogen optreden. 
De formeel vereiste inzet van de twee deskundigen regelen we pragmatisch. Van situatie tot situatie vormen we een tweetal dat aan de wettelijke eisen voldoet. Dit kunnen ook mensen zijn die genoemd onder a. een rol spelen, maar dit hoeft niet.
Bijvoorbeeld:
1. een orthopedagoog vanuit het bureau van het samenwerkingsverband en een orthopedagoog of psycholoog vanuit het HCO die al vast deel uitmaakt van het MDO van de school,
2. een orthopedagoog vanuit het bureau van het samenwerkingsverband en de SMW-er die in het MDO deelneemt,
3. een orthopedagoog vanuit het bureau van het samenwerkingsverband en een GZ-psycholoog die vanuit de S(B)O-school participeert in het proces,
4. een orthopedagoog vanuit het bureau van het samenwerkingsverband en een jeugdarts.
Inzet van de SMW-er of jeugdarts is mogelijk als het dossier duidelijk een sociaal-maatschappelijke en medische component kent.
  
Feitelijk ontstaat dan de werkwijze dat een orthopedagoog  vanuit het bureau van het samenwerkingsverband (al dan niet op afstand) de rol van eerste deskundige vervult en iemand anders (al dan niet ook al lid van het MDO) de rol van tweede deskundige. Die betrokkenheid vanuit het bureau van het samenwerkingsverband is er altijd, omdat het samenwerkingsverband de TLV afgeeft en bekostigt, het samenwerkingsverband degene is die in geval van geschillen voor de Landelijke Bezwaaradviescommissie TLV’s moet verschijnen e.d.
Soms zal geen enkele MDO deelnemer de rol van wettelijk deskundige mogen vervullen, dan komt de tweede deskundige van buiten de kring van het MDO. Hij/zij vervult de rol al dan niet op afstand. Dat kan bijvoorbeeld een CvB lid van de S(B)O school de rol van deskundige vervullen, of er wordt iemand gevraagd vanuit de pool van externe deskundigen die het samenwerkingsverband beschikbaar heeft.
Aan de inzet van een medewerker van het HCO, een GZ-psycholoog vanuit de S(B)O-school of iemand uit de pool van het samenwerkingsverband (als tweede deskundige) zijn kosten verbonden.
Bij ingewikkelde casussen kan het nuttig zijn de beide deskundigen al vroegtijdig te betrekken, om informatie uit te wisselen. Eén of beide deskundigen kunnen dan in een MDO participeren. Het uiterste moment waarop de school de beide deskundigen in positie brengt, is als de MDO-participanten (dus inclusief de ouders) het eens zijn om een TLV aanvraag in te dienen.

Aanvraag indienen
De onderliggende documenten (argumentatie om TLV aan te vragen) worden voor zover nodig verder in orde gemaakt. Deze documenten die de TLV aanvraag onderbouwen, worden (via OT) ter inzage gegeven aan de deskundigen. De twee deskundigen schrijven hun advies. Ze maken daarbij gebruik van het deskundigenadviesformulier (zie website sppoh). De deskundigen plaatsen hun advies in OT. Als beide deskundigen positief adviseren kan de school de aanvraag op definitief zetten. Daarna doet de adviseur een procesmatige check (is het voorstel conform MDO).

Geen overeenstemming deskundigen
In uitzonderingssituaties kan het anders gaan. Ook daarvoor moet iets geregeld zijn.
Als beide deskundigen niet gelijkluidend adviseren dan vindt een nieuw MDO plaats waarbij de beide deskundigen ook aanwezig zijn. De directeur van het samenwerkingsverband zal namelijk nooit zonder meer een voorstel honoreren waarover een of twee deskundigen negatief adviseren. De uitkomst van het nieuwe MDO kan zijn dat beide deskundigen alsnog positief adviseren. Zie dan hierboven. Een andere uitkomst kan zijn dat het MDO van inzicht verandert.

Als beide of één van beide deskundigen ook na een MDO overleg niet positief adviseert, wordt een mediator ingeschakeld. Het samenwerkingsverband publiceert [10] een lijst met personen die als mediator op mogen optreden. De uitkomst kan zijn: door tussenkomst van mediator komen er toch twee positieve adviezen, zie dan verder hierboven. Een andere uitkomst kan zijn dat het MDO van inzicht verandert.
Ook is mogelijk dat de deskundigen na een MDO overleg met mediator het nog niet eens zijn, dan worden alle stukken (MDO overleg, twee adviezen deskundigen en een advies van de mediator) naar de directeur van het samenwerkingsverband gestuurd. De directeur neemt dan op basis van deze documenten een besluit over het wel of niet toekennen van de TLV aanvraag.

4.3. Onderinstroom, neveninstroom, verlenging: s(b)o-school heeft de regie
In het denk- en beslisproces over deze stap (directe plaatsing op een S(B)O school, dan wel verlenging van deze plaatsing) zijn, naast de ouders, betrokken:
a. medewerker(s) van de betreffende S(B)O-school, de adviseur passend onderwijs vanuit het samenwerkingsverband en veelal ook de SMW-er, e.d. Indien (op termijn) overgang naar een reguliere basisschool beoogd wordt, is ook een vertegenwoordiger van deze school betrokken.
b. twee personen die de rol van (wettelijk verplichte) deskundige vervullen.

Verder verloopt het proces zoals beschreven onder 4.2. Hierbij vervult de vertegenwoordiger van de S(B)O-school (orthopedagoog of psycholoog) de rol van eerste deskundige en een vertegenwoordiger vanuit het bureau van het samenwerkingsverband de rol van tweede deskundige, of omgekeerd.
Een logisch moment om een MDO te organiseren over de vraag of de TLV wel of niet verlengd moet worden is een aantal maanden voordat de TLV afloopt. Voor leerlingen waarvan duidelijk is dat deze hun schoolloopbaan binnen de huidige setting zullen vervolgen, mag verwacht worden dat enkele maanden voor afloop van de TLV voldoende informatie beschikbaar is om verlenging van de TLV en de te verwachten opbrengst richting de geformuleerde uitstroombestemming van de leerling in een besluit MDO met de nodige betrokkenen te verantwoorden.

Voor leerlingen waarvoor gedacht wordt aan een andere setting aansluitend op de aflopende TLV zal in een cyclus van MDO’s uiteindelijk duidelijk moeten worden wat dan de best passende setting is. Ook voor deze leerlingen is het van belang het verzamelen van de nodige gegevens zo snel mogelijk te starten en samen met de ouders en leerling de vervolgsetting duidelijk te hebben.   
De adviseur passend onderwijs van de school ontvangt in het jaarlijkse startgesprek met de S(B)O-school een planning van de MDO’s waarin de leerlingen, waarvan de TLV dat schooljaar afloopt, worden geagendeerd.

4.4. Categoriebepaling TLV SO

Voor het bepalen van de hoogte van de toelaatbaarheidsverklaring SO (laag, midden, hoog) is uiterlijk juni 2017 een werkinstructie beschikbaar. Gestreefd wordt naar een model waarbij een koppeling ontstaat tussen de onderwijsbehoefte van de leerling, het ondersteuningsaanbod van de school (op basis van het schoolprofiel/verschillende profielen binnen de school) en de bekostigingscategorie. Een tweede belangrijk uitgangspunt bij het bepalen van de bekostigingscategorie TLV SO is dat er geen onderwijsgeld naar zorgtaken gaat. Dat betekent dat het voor scholen en ouders helder moet zijn welke zaken door de zorg/jeugdhulp worden bekostigd.
In incidentele gevallen kan naast een TLV tijdelijk sprake zijn van een arrangement. Dit is aan de orde als de leerling binnen de stroom of het profiel dat het beste aansluit bij de onderwijsondersteunings-behoefte (en op basis waarvan de TLV is toegekend) tijdelijk iets extra’s nodig heeft.

5. Werkwijze van het MDO
De ondersteuningsniveaus in relatie tot MDO’s

Niveau

Inhoud

Voor wie

Afstemming/overleg

1 Basis-ondersteuning

Kwalitatief goed onderwijs aan de groep. Afstemming onderwijs op specifieke behoeften binnen het basisaanbod. De algemene ondersteuning werkt preventief.

Leerlingen hebben voldoende aan het basisaanbod. Elke leerling werkt op zijn of haar niveau binnen het aanbod van de groep. Voor sommige leerlingen vindt intensivering binnen het basisaanbod van de groep plaats.

Groepsbespreking (leerkracht, intern begeleider en ouder)

 

Leerkrachten onderling (doorgaande lijn en elkaar benutten als steunbron)

Leerkracht - ouder.

Leerkracht - intern begeleider

 

Inzetten van preventieve en licht curatieve interventies

Leerlingen die aanvulling nodig hebben op de doelen voor de basisgroep en subgroepen.

Leerlingbespreking (leerkracht, intern begeleider en ouder).

Indien gewenst overleg met adviseur van het samenwerkingsverband.

Leerkrachten onderling (elkaar benutten als steunbron)

Leerkracht - ouder

Leerkracht - intern begeleider

2 Extra ondersteuning

Inzetten van arrangementen die aansluiten op de hulpvraag van de leerling

Leerlingen met onderwijsbehoeften die de basisondersteuning overstijgen

Multidisciplinair overleg (MDO). In ieder geval aanwezig: leerkracht, intern begeleider, ouder(s), adviseur passend onderwijs. De maatschappelijk werker zal ook vrijwel altijd deelnemen.

3 Lesplaatsen SBO en SO

(Tijdelijk) onderwijs op een school voor SBO of SO.

Leerlingen die meer ondersteuning nodig hebben dan met arrangementen op de eigen school/tijdelijk op een andere school geboden kan worden.

Multidisciplinair overleg (MDO). In ieder geval aanwezig: leerkracht, intern begeleider, ouder(s), adviseur passend onderwijs. Ook de maatschappelijk werker zal vrijwel altijd deelnemen. Ook de formele eerste en tweede deskundige kunnen desgewenst deelnemen, maar dit hoeft niet. Andere deskundigen naar behoefte op afroep.


Wanneer een MDO?
Een MDO wordt georganiseerd wanneer een leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft. Het overleg dient om de hulpvraag rond de leerling zo integraal mogelijk te benaderen en samenwerking tussen alle partijen te bevorderen. Een MDO kan binnen het cyclisch werken worden ingezet bij de intakefase (waarnemen en begrijpen), de adviesfase (formuleren onderwijsbehoeften en aanpak) en de fase van evaluatie en bijstellen.

Aanmelding en voorbereiding MDO
In de meeste gevallen wordt de leerling vanuit de leerlingbespreking aangemeld voor een MDO. In bepaalde gevallen kan ook maatschappelijk werker een leerling aanmelden voor een MDO. Dat kan gebeuren als de gezins- en thuissituatie het functioneren van de leerling op school beïnvloedt.
De intern begeleider coördineert de voorbereiding van een MDO.  De intern begeleider stemt hierover af met de leerkracht en de adviseur. De intern begeleider schakelt bij de aanmelding MDO de eigen adviseur in. De adviseur is de gesprekspartner vanuit het samenwerkingsverband in het MDO. Dat betekent dat de adviseur onder andere verhelderingsvragen stelt, de cyclus van handelingsgericht werken mee bewaakt en op verzoek meedenkt over een passend arrangement voor de leerling. De adviseur heeft onder meer de rol van makelaar, hij/zij is goed op de hoogte van beschikbare expertise binnen het samenwerkingsverband en bij onze ketenpartners.
De aanmelding voor het MDO moet zorgvuldig met de ouders worden besproken. Ouders ondertekenen een formulier waarin ze toestemming geven voor het bespreken van hun zoon/dochter in het MDO en voor het opvragen van informatie door school.
Ter voorbereiding op het MDO wordt alvast informatie verzameld. Dat kan door het invullen van deel A en deel B van het groei-werkdocument. De school gaat hierover in gesprek met de ouders. Ouders geven van tevoren hun zienswijze, onder andere over de bevorderende en belemmerende factoren.
In veel situaties zal een leerling niet zelf aan een MDO deelnemen. Dan is het belangrijk om voorafgaand aan een MDO met de leerling in gesprek te gaan. Dat levert vaak waardevolle informatie op. Kinderen kunnen over het algemeen goed aangeven wat ze moeilijk vinden, wat ze willen leren en welke hulp ze daarbij nodig hebben. Het is ook mogelijk om het gesprek met de leerling te voeren aan de hand van een beknopt vragenformulier dat het kind zelf heeft ingevuld.

MDO en ouders
Het kenmerkende van een MDO is dat de verschillende partners om tafel zitten en allemaal de gelegenheid hebben om hun visie te geven. Dat betekent dat ouders niet alleen worden geïnformeerd door de school over de plannen die er zijn om de leerling te ondersteunen. Ouders worden juist uitgenodigd om hun zienswijze te geven en mee te denken. Nodig ouders uit om te reageren op het doel dat je zou willen nastreven voor de leerling. Vraag aan ouders welke bijdrage zij zouden kunnen leveren om samen dit doel te kunnen bereiken voor hun zoon of dochter. Dit zal een goede samenwerking tussen de verschillende partijen bevorderen.

Kern van een MDO
De werkwijze van een MDO is gebaseerd op de theorie van handelingsgericht werken (HGW). Een MDO volgens de handelingsgerichte werkwijze verloopt van overzicht en inzicht naar uitzicht (Pameijer & Van Beukering, 2012).
Overzicht: Wat gaat er goed, wat gaat er moeizaam? Bevorderende en belemmerende factoren in kaart brengen. Maatregelen en effecten tot nu toe?
Inzicht: Hier gaat het om de analyse. Hoe kunnen we de situatie begrijpen?
Uitzicht: Wat zijn de doelen voor de leerling en welke aanpak heeft de leerling nodig?

Fasering in een MDO
Een overleg volgens de handelingsgerichte werkwijze verloopt van overzicht, naar inzicht en uitzicht, waarbij onderstaande negen stappen worden doorlopen. (Pameijer en Beukering, 2012). Dat is geen keurslijf, maar het geeft wel houvast om in overeenstemming met elkaar te komen tot het vaststellen van een arrangement (extra ondersteuning of lesplaats SBO/SO).

Hieronder geven we in het kort de negen stappen weer.
1.            Voorbereiding
Aanleiding, verwachting en doel van het overleg.
2.            Start
                Bespreken van de stappen van het overleg.
3.            Overzicht
                Wat gaat goed en wat werkt belemmerend? 
4.            Inzicht (analyse)
                Met elkaar analyseren hoe het zou kunnen dat de huidige situatie zo is. Daarbij aandacht voor: kind, onderwijs en opvoeding.
5.            Voldoende inzicht?
                Weten de deelnemers voldoende om de vragen te kunnen beantwoorden?
                Of is er een onderzoeksfase nodig?
6.            Uitzicht
                Welke aanpak heeft de leerling nodig?
               Wat willen we veranderen? (wenselijk)
               Wat kunnen we veranderen? (haalbaar)
7.            Onderwijs/opvoedbehoeften van de leerling en de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht en/of ouders kind
                Opstellen van doelen en arrangement.
8.            Afspraken en planning
                Afspraken vastleggen (wie doet wat, hoe en wanneer?)
9.            Afronding
                Terugblik op de bespreking en evaluatie afspraak.
Het lukt niet altijd om alle stappen in een MDO te doorlopen. Dan wordt een tweede (vervolg) MDO gepland. Er is een MDO-formulier beschikbaar waarop de negen stappen uitgebreider staan beschreven.

Evaluatie in het MDO
Cyclisch wordt geëvalueerd wat de resultaten zijn en of de doelen die bepaald zijn ook daadwerkelijk zijn bereikt. Als voor een leerling een OPP is opgesteld, dan evalueert de school minimaal jaarlijks met de ouders of de doelen zijn behaald, of de aanpak heeft gewerkt en of de leerling nog op koers zit qua uitstroomperspectief.
Tijdens de evaluatie wordt altijd gekeken of de ondersteuning nog passend is.  Op basis van de evaluatie kan besloten worden:

  • De ondersteuning op het huidige niveau voort te zetten (en te actualiseren).
  • De ondersteuning naar een hoger niveau op te schalen.
  • De ondersteuning naar een lager niveau bij te stellen.
  • De ondersteuning af te sluiten.

MDO en formulieren
Bij de nieuwe werkwijze gaan we ervan uit dat de scholen bij een groepsbespreking, leerlingbespreking en MDO eigen formulieren hanteren. Het is echter ook mogelijk de formulieren te gebruiken die tijdens de pilots zijn ontwikkeld. De volgende formulieren zijn bij het bureau van het samenwerkingsverband beschikbaar:

  • groei-werkdocument,
  • een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP),
  • een checklist waar een OPP minimaal aan moet voldoen,
  • een format voor een MDO-overleg,
  • een MDO-formulier met daarbij een uitgebreidere toelichting op de negen stappen.

[1] Er zijn scholen die met andere typen documenten werken dan groepsplannen, vandaar (groeps) tussen haakjes.

[2] Vanzelfsprekend kunnen er ook op ondersteuningsniveau 1 desgewenst al MDO’s plaatsvinden.

[3] De ondersteuningsbekostiging van een leerling die toelaatbaar is tot het SBO bedraagt ongeveer € 4.500. De ondersteuningsbekostiging voor een leerling die toelaatbaar is tot het speciaal onderwijs varieert: € 9.000 bij TLV-categorie laag, € 14.000 TLV categorie midden en € 21.000 TLV categorie hoog. Dit zijn afgeronde bedragen. De bedragen worden jaarlijks opnieuw vastgesteld door de overheid.

[4] Nog onderzoeken: wel/niet BIG?

[5] Sommige SO-scholen hanteren een eigen toelatingsprocedure waarbij wenweken op de beoogde doelschool worden georganiseerd om na te gaan of de SO-school aan de onderwijs-zorgbehoefte tegemoet kan komen. Nader doordacht moet worden hoe dit kan aansluiten op de in deze bijlage 5 beschreven werkwijze.

[6] Dit laat onverlet dat het altijd formeel de rol is van bestuur om toe te laten.

[7] Om de beoogde werkwijze te realiseren is nodig dat komend schooljaar 2017-2018 onderzoek plaatsvindt naar:

a. de huidige wijze waarop S(B)O-scholen ‘wenweken’ inzetten om na te gaan of zij het nodige onderwijsaanbod kunnen bieden. Hierbij wordt ook de wetgeving rondom de zorgplicht betrokken.

b. Het specifieke aanbod voor de verschillende doelgroepen in concrete schoolondersteuningsprofielen van de individuele S(B)O-scholen beschikbaar is. Duidelijk is wat, daar waar nodig, in de setting van de doelschool in afstemming met zorg (en ouders) en hulpverlening voorwaardelijk gerealiseerd dient te worden om het onderwijs op de doelschool zo optimaal te kunnen afstemmen op de beoogde doelgroep van de speciale lesplaats.

[8] Deze alinea’s worden nog juridisch getoetst.

[9] Omstreeks 24 mei 2017.

[10] Omstreeks 10 juni 2017.